Over de schrijver

Hoi,

Mijn naam is Robert Wolfe en ik ben geboren aan de andere kant van de wereld. In Sydney, de mooiste stad van Australie (geloof mij nou maar). Zoveel kan ik me er niet van herinneren. Wel dat een buurjongen een keer een ketel tegen mijn hoofd gooide. Dat is denk ik mijn eerste herinnering - en dat ik een keer een giftige spin meenam naar school in een potje - die was door onze poes gevangen, heel stoer. Die spinnen wonen in gaten in de grond - funnelwebspiders heten ze - en als we dus een gaatje in onze voortuin zagen mochten we daar niet meer spelen.

Daarna zijn we in Engeland gaan wonen, in een dorpje in de buurt van Plymouth. Mijn vader zat namelijk in de Australische marine en voer op onderzeeboten, dat ging hij toen vanuit Engeland doen. Ik herinner me dat we 1 mile moesten lopen naar school, dat leek indrukwekkend ver toen - een hele mile! Nu weet ik dat het niet eens twee kilometer is - of is dat nog steeds ver om te lopen naar school? Mijn zus en ik namen ieder een suikerklontje mee voor een paard waar we onderweg langs kwamen, al durfde ik meestal niet mijn gestrekte hand zo lang uit te houden tot het paard het met zijn lippen eraf gepakt had. Het beest moest het dus meestal vanuit de modder oprapen, al leek hij het niet eens zo erg te vinden. Mijn juf reed in een rode postauto - het leek wel of we van de postbode les hadden. Een keer reed zij voorbij toen we naar school gingen en stopte om ons een lift aan te bieden. Onze moeder had ons echter zulke duidelijke instructies meegegeven - geen lift aannemen (er deden griezelige verhalen de ronde over enge mannen die kinderen meenamen in hun auto) dat wij nee zeiden. Maar ik ben je juf zei mijn juf nog. Resoluut weigerden mijn zus en ik.

Vlak daarop ging de onderzeeboot naar Schotland en dus gingen wij daar wonen, in een plaats buiten Glasgow - Helensburgh heet het. Daar leerde ik het spel conkers spelen. Dat spelen veel kinderen op het schoolplein, dan hebben ze een touwtje door een kastanje gedaan en dat is dan je conker (veroveraar). Je daagt dan iemand uit, die mag dan als eerste met zijn conker op jouw kastanje slaan. Je steekt je arm uit en laat je kleine bruine held aan het touwtje bungelen. De ander zwiept dan zijn kastanje tegen de jouwe. Wie breekt verliest. Na een afgesproken aantal slagen mag de andere rammen. Op school aten we warm eten en moesten dan na het eten een uurtje slapen (het was een kostschool, maar ook met kinderen die gewoon thuis woonden zoals ik). Niks slapen natuurlijk, alleen maar moppen vertellen en anderszins keten. Maar als je te veel keette kreeg je een tik op je blote benen. We hadden namelijk schoolkostuum, met korte broek en dus allemaal blote benen. Ja, op die school werd nog geslagen, als je het echt bont maakte moest je naar de headmaster die in een la een gymschoen had liggen van een hele grote maat werd gefluisterd en dan moest je voorover bukken, ging de la open en dan...

Het is mij nooit overkomen, dus ik weet niet of het waar was. En toen ik bijna acht was gingen mijn ouders scheiden en ging mijn moeder met de drie kinderen naar Nederland (zij is Nederlandse). Ik kon maar niet geloven dat kinderen in Nederland geen uniform droegen. 'Wat dragen ze dan?' vroeg ik mijn moeder steeds. Ik keek mijn ogen uit de eerste dagen op mijn school in het dorpje Obdam. Ik geloof dat ik nooit meer zo'n interesse in andermans kleding gehad heb als die dag.

Het dorpje Obdam heeft wel een beetje model gestaan voor het dorp Wezem in Joshua Joshua Tango. Ik speelde veel buiten, maar las ook veel. Ik deed aan sport, voetballen natuurlijk, maar eigenlijk was honkbal mijn eerste sport. Dat heb ik ook erg lang gedaan. De middelbare school deed ik in Heerhugowaard, eerst Havo toen Atheneum. En toen ik 18 was ging ik studeren. En wat toen allemaal gebeurde schrijf ik een andere keer.

Veel groeten, Robert